• 11-06-18

Op 19 juni 2015 dienden Tweede Kamerleden Foort van Oosten (VVD), Jeroen Recourt (PvdA) en Magda Berndsen-Jansen (D66) een wetsvoorstel in met betrekking tot het betalen van partneralimentatie na echtscheiding. De wettelijke grondslag moest veranderen, de berekeningsmethodiek zou eenvoudiger worden, de duur van de verplichting werd verkort en partijen zouden de mogelijkheid moeten krijgen op voorhand een onderhoudsverplichting uit te sluiten bij huwelijksvoorwaarden.

Na stevige kritiek van de Raad van State in 2016 is het initiatiefwetsvoorstel grondig gewijzigd. Intussen hebben er zich ook wijzigingen voorgedaan in het team van indieners en thans houden de leden Van Oosten (VVD), Kuiken (PvdA) en Groothuizen (D66) zich bezig met het onderwerp. Op 11 juni 2018 presenteerden zij een nieuwe Nota naar aanleiding van het verslag.

Laatstgenoemde initiatiefnemers presenteren nu een aanzienlijke vereenvoudiging van het eerdere voorstel. Er zijn duidelijke keuzes gemaakt.

Allereerst wordt de wettelijke grondslag ongemoeid gelaten. De lotsverbondenheid en onderlinge solidariteit van ex-echtgenoten, voortvloeiend uit hun eerdere huwelijk, blijft de rechtsgrond voor het recht op het ontvangen en de plicht tot het betalen van partneralimentatie na echtscheiding. Tenzij partijen anders overeenkomen zal het te betalen bedrag jaarlijks geïndexeerd moeten worden en er komt vooralsnog geen mogelijkheid om de onderhoudsverplichting op voorhand in huwelijksvoorwaarden uit te sluiten. De rechter zal niet de mogelijkheid krijgen een partij te verplichten tot betaling van een som ineens en nieuwe partners gaan geen rol spelen zoals eerder de bedoeling was.

Ook is afgezien van de invoering van een forfaitair rekensysteem. Behoefte en draagkracht blijven de pijlers onder het systeem en van een defiscalisering is geen sprake meer. De mogelijkheid tot wijziging in geval van rechtens relevante gewijzigde omstandigheden, genoemd in artikel 1:401 lid 1 BW blijft in stand.

Belangrijkste wijziging ten opzichte van de huidige situatie is dat de maximale duur van de onderhoudsverplichting sterk wordt beperkt. Tenzij een beroep kan worden gedaan op een drietal uitzonderingen, zal de onderhoudsverplichting van rechtswege eindigen na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaren, te rekenen vanaf het moment van echtscheiding.
De uitzonderingsgevallen zijn beschreven in artikel 1:157 lid 2, lid 3 en lid 4 BW(nieuw):

  1. In het geval dat een huwelijk langer dan 15 jaar heeft geduurd én de onderhoudsgerechtigde op het moment van indiening van het echtscheidingsverzoek maximaal 10 jaar jonger is dan de AOW-leeftijd, eindigt de onderhoudsverplichting niet eerder dan het tijdstip waarop de onderhoudsgerechtigde de AOW-leeftijd heeft bereikt. De onderhoudsverplichting kan in dat geval maximaal 10 jaar duren (lid 2).
     
  2. Indien er sprake is van uit het huwelijk geboren kinderen die op het moment van echtscheiding jonger zijn dan 12 jaar, eindigt de onderhoudsverplichting niet eerder dan het moment dat het jongste kind 12 jaar wordt. De onderhoudsverplichting kan in dat geval maximaal 12 jaar duren (lid 3).
     
  3. De onderhoudsverplichting eindigt van rechtswege op het moment dat de onderhoudsplichtige de AOW-leeftijd bereikt (lid 4).
     

Bij een samenloop van termijnen zal de langste termijn gelden, aldus artikel 1:157 lid 5(nieuw).

Het blijft mogelijk een beroep te doen op een hardheidsclausule wanneer de uitkomst op basis van de hoofdregel van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving hiervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd van de onderhoudsgerechtigde. Alsdan kan de rechter worden verzocht om een verlenging van de termijn en wel binnen drie maanden na het verstrijken van de originele termijn. Een en ander is opgenomen in artikel 1:157 lid 7 BW(nieuw)

De initiatiefnemers zijn van oordeel dat met deze wijzigingen tegemoet wordt gekomen aan maatschappelijke wensen en de kritiek die is geuit door het juridisch werkveld en de Raad van State.

Er zal op grond van het voorstel geen sprake zijn van een overgangstermijn. De sterk verkorte maximale wettelijke termijn zal alleen gelden voor toekomstige echtscheidingen. Dit laat echter onverlet dat de rechter ook op grond van de huidige wet de mogelijkheid heeft om de onderhoudsverplichting op verzoek te limiteren en de termijn flink te verkorten.

Indien u nu of in de toekomst advies wenst te ontvangen over uw eventuele recht op partneralimentatie of uw eventuele plicht om partneralimentatie te betalen, dan kunt u contact opnemen met een van de advocaten van ons kantoor.